Image6  Advies en Rechtshulp Pagina … ………………………….  Meester Willem     Europa

 

Europese samenwerking                     Start

 

 

 http://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/thumb/b/b7/Flag_of_Europe.svg/100px-Flag_of_Europe.svg.png         

                                                                                                Europese Gemeenschap

 

Na de tweede wereldoorlog is er een toenemende samenwerking ontstaan tussen de Europese landen. Deze samenwerking heeft er zelfs voor gezorgd, dat landen een deel van hun eigen soevereiniteit, dat is hun bevoegdheid zelf beslissingen over de eigen staat te nemen,  hebben over gedragen aan dit samenwerkingsverband, de E.U. Daarnaast zijn er ook nog andere samenwerkingsorganen, zoals de Raad van Europa en de OVSE en de WEU

 

Geschiedenis

De idee van een samenwerking van Europese landen, op basis van gelijkheid, werd al door de Franse schrijver en politicus Victor Hugo geopperd. Na de eerste wereldoorlog ontstond het idee, dat conflicten in de wereld beter beheersbaar waren, als de staten hun betrekkingen zouden verbeteren. In 1919 werd, naar aanleiding van het veertien punten plan van president Wilson, via het verdrag van Versailles, de Volkenbond opgericht.

De USA trad (zij werd geen lid) hierbij duidelijk naar voren als supermacht. Al in 1923 werd er een plan gelanceerd tot op richting van een verenigde staten van Europa. In de jaren er na ontstonden een aantal verdagen tussen landen waarbij zij hun relatie tot hun buren probeerden te regelen. In 1926 trad Duitsland toe tot de Volkenbond.

In 1929 lanceerden de Franse minister Aristide Briand en zijn Duitse collega  Gustav Stresemann, voor de Volkenbond in Geneve, het plan te komen tot de oprichting van een Europese Unie. Het plan stuitte echter op de nog sterk nationalistische opvattingen van een aantal landen.

Door de verslechterende economische situatie en opkomend nationaal socialisme raakte het Europese streven in het vergeetboek.

Na de tweede wereldoorlog was een groot deel, van de Europese infrastructuur verwoest en moest Europa weer worden opgebouwd.

Van groot belang waren de Frans-Duitse betrekkingen, die reeds een kleine honderd jaar niet optimaal waren en hun beide industrieën.

Vooral Frankrijk was erg bang voor nieuwe herleving van de Duitse ambities met betrekking tot Europa. Men wilde om die reden streven

naar een uitgebreide economische samenwerking tussen de beide landen. Daar de Marshallhulp ook Duitsland ten goede kwam, kon dit land weer snel groeien tot een economisch en politieke belangrijke speler  op het Europese toneel. Daarnaast was er een scheidsvlak ontstaan tussen west en oost Europa, waarbij het oosten werd gedomineerd door Russische invloed. De Amerikaanse Marshallhulp moest bovendien effectief worden verdeeld en aanzet zijn tot een hernieuwde economische ontwikkeling van Europa.

Voor de verdeling van de hulp werd de OECD opgericht. (engels; "Organisation for European Economy Co-operation, OEEC ) Alle landen die de Marshallhulp kregen waren hier bij aangesloten.

 

EGKS.  Europese gemeenschap voor kolen en staal

De wens om de zware industrie, die het zwaartepunt was van de voormalige oorlogsindustrie, in het Ruhr-gebied in Duitsland onder

Internationaal toezicht te krijgen was de inzet tot de zgn. Roerautoriteit. Toen West-Duitsland uiteindelijk onder de naam Bondsrepubliek
 weer een zelfstandige staat werd, nam de vrees voor en zelfstandig te sterk Duitsland weer toe. In 1950 lanceerde de Franse minister Robert Schuman, een samenwerkingsplan tussen Duitsland en Frankrijk met een breed Europees kader om de Europese kolen en staalindustrie onder te brengen onder een Europees toezichtorgaan. Het belangrijkste element hiervan was de instelling van een “Hoge autoriteit’ die over boven nationale bevoegdheden zou beschikken.

 

Deze organisatie zou daarna mogelijk uit kunnen groeien naar een Europees federatief verband voor samenwerking. Duitsland, Frankrijk, Italië, België Nederland en Luxemburg sloten uiteindelijk  in 1951 het verdrag en in 1952 trad het in werking. De zetel van de organisatie kwam in Luxemburg. Doel van de EGKS is het door instellen van een gemeenschappelijke markt voor de kolen en staal sector bij te dragen aan een economische ontwikkeling en de uitbreiding van de werkgelegenheid en verhoging van het levenspeil in de lidstaten.

Naast de Hoge Autoriteit werd een rechtsinstantie opgericht die toezicht moest houden op de rechtmatigheid van de beslissingen van de Hoge Autoriteit, het hof van justitie. Daarnaast moest de Hoge Autoriteit ook haar taak vervullen in samenwerking met de overheden en belanghebbenden. Het verdrag geeft bovendien de verplichting dat  in veel gevallen advies dient te worden gevraagd aan de bijzondere raad van ministers of Het raadgevend comité. De coördinatie van het beleid van de Hoge autoriteit met het economisch beleid van de overheden, dient te geschieden door deze bijzondere raad van ministers. In crisissituaties heeft deze raad eigen beschikkingsbevoegdheid. Het raadgevend comité ondersteunt de hoge autoriteit in de werkzaamheden en dient volgens het verdrag in voorgeschreven situaties te worden geraadpleegd. Dit comité bestaat uit de producenten, werknemers, handelaren en verbruikers uit de kolen en staal sector. Uit de nationale

parlementen  moest door afgevaardigden een gemeenschappelijke vergadering worden ingesteld, waaraan de Hoge Autoriteit politieke

verantwoording aan moest afleggen en adviezen van moest aan horen bij bepaalde kwesties. Deze vergadering had bovendien het recht van

een motie van wantrouwen, waardoor de Hoge Autoriteit kon worden gedwongen af te treden. Uiteindelijk zijn de organen van de EGKS opgegaan in de EEG en de EGA (gemeenschap voor atoom- energie/Euratom)  De Europese commissie functioneert nu als de Hoge Autoriteit in het kader van de taken van het EGKS verdrag. Het verdrag was voor 50 jaar gesloten en liep in 2002 af. In een aanhangend protocol bij het verdrag van Nice, werd overeengekomen, dat de bepalingen uit het verdrag werden overgeheveld naar de EU. De doorslaggevende betekenis van kolen en staal was in de laatste 50 jaar sterk afgenomen, waardoor een zelfstandig verdrag niet meer nodig was.

 

                                                                                                                                                                                                                                                                     

Verdere uitbouw van de Gemeenschap.
Nadat in 1950 de oorlog in Korea uitbrak kwam Frankrijk met het idee van een europees leger, met een eigen europees ministerie van defensie. 

Op deze manier kon een Duits defensie apparaat worden ingepast in een Europees orgaan. In 1952 werd het verdrag ondertekend door de landen van de EGKS, maar daarna nooit geratificeerd, zodat de EDG nooit als zodanig heeft gefunctioneerd. Om een samenhangend defensie en gemeenschappelijk buitenlands beleid te voeren, zou men naast de EDG komen tot de oprichting van een EPG,  de Europese politieke gemeenschap. De instellingen van deze EPG zouden grotere supranationale (boven-nationaal) bevoegdheden kunnen krijgen, dan de EGKS en EDG. De parlementaire controle zou ook groter kunnen worden. Deze organen zouden daarna de bevoegdheden van de beide eerdere gemeenschappen kunnen overnemen. Het integratie proces van het nieuwe Europa zou dan versneld op gang worden gebracht.

 

Tegenslag

Helaas bleek uiteindelijk het Franse parlement in 1954 niet bereid het EDG te ratificeren, waardoor het verdrag niet in werking kon treden. Daardoor kon uiteindelijk het EPS verdrag niet in werking treden.

Oorzaak hiervoor waren een aantal redenen te noemen. De dood van Stalin was reden voor een tijdelijke ontspanning van de verhoudingen in Europa. Daarnaast was er een wapenstilstand in Korea.
De dreiging van het communisme werd daardoor minder bedreigend gevonden. Onder invloed van de communistische partij, was ook de weerstand tegen de Duitse herbewapening toegenomen en was men bang voor een te sterke Bonsrepubliek in Europa. Bovendien werd Frankrijk in Indo-China met grote problemen geconfronteerd. Een confrontatie met de Sovjet-Unie, die negatief stond tegen samenwerking- verbanden tussen de West-Europese landen werd in deze vermeden. Ook de pressie van de USA wekte ergernis in Frankrijk. De toetreding van de BRD West-Duitsland of Bondsrepubliek tot de Navo werd niet geblokkeerd, maar het eenwordingsproces werd wel ernstig gefrustreerd.

 

Reeds in 1944 waren Nederland , België en Luxemburg een goed werkend samenwerkingsorgaan aangegaan (de Benelux). Het initiatief om de eenwording weer op de rails te zetten kwam van deze landen; ‘het plan Beyen’. Hoewel het plan zelf niet is aangenomen, is het wel uitgangspunt geweest voor een conferentie van de EKGS landen. Het leidde uiteindelijk tot een commissie onderleiding van de Belgische minister Spaak, die een oprichting van een nieuw samenwerkingsverband moest onderzoeken.

Uiteindelijk werd aan de commissie van regeringsvertegenwoordigers (intergouvernementele comité)Het plan voorgelegd tot de oprichting van een Europese economische gemeenschap. Met de volgende instellingen; de commissie, de raad van ministers, het hof van justitie en een parlementaire vergadering.

Dezelfde instellingen zouden ook worden nodig zijn voor een organisatie voor de vreedzame ontwikkeling van kernenergie.
De belangrijkste instelling van de institutionele structuur zou de Europese commissie moeten worden. De commissie zou moeten bestaan uit deskundigen die los van de regeringen zelfstandig, primair de belangen van de gemeenschap moest behartigen en het communautaire beleid bewaken. Op 25 maart 1957 werd na een moeilijke aanloop het verdrag van Rome ondertekend en ontstond hierdoor de EEG en Euratom/EGA. Vrij snel werd de oprichtingsverdragen geratificeerd en ontstonden op 1 januari 1958 beide organisaties. Lidstaten waren; Italië, Frankrijk, Bondsrepubliek Duitsland, België Luxemburg en Nederland. Er waren van af dat moment dus drie gemeenschappen.

 

Direct deed men al een poging om de drie gemeenschappen in enige mate te laten samenwerken. Bij de inwerkingtreding van de beide nieuwe gemeenschappen , trad ook in werking ‘overeenkomst betreffende instellingen die de gemeenschappen gemeen hebben’ inwerking. Hierin werd bepaald dat de drie gemeenschappen één parlement en één hof zouden hebben. 1967 trad ook het fusie verdrag in werking, waardoor werden de drie raden van ministers samengevoegd en ook de drie (uitvoerende) commissies tot één commissie. Er ontstond ook één rekenkamer. De vernieuwde instellingen functioneerden hierbij als de bevoegde instelling volgens het toepasselijke verdrag. De naam werd de drie gezamenlijke gemeenschappen werd  ‘Europese Economische gemeenschappen’. Na het latere verdrag van Maastricht spreekt men van de EG; De Europese gemeenschap.

 

Verdere ontwikkelingen.

Na de totstandkoming van de EEG en Euratom vroegen de andere landen in Europa, die ook in de OEEC, de latere OESO,verenigd waren zich af, hoe zij verder moesten. Zou de macht van de EEG niet te groot zou worden, werden hun markten afgesloten en was er toch nog een mogelijkheid om van de markt van de EEG te profiteren. Vrijwel direct werden de mogelijkheden onderzocht om een vrijhandelszone te creëren tussen de EEG en de andere landen. Pogingen hiertoe stranden uiteindelijk en de andere landen vormen alsnog hun eigen vrijhandelszone. In januari 1960 ontstond in Stockholm de EVA. (Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Noorwegen, Zweden, Oostenrijk, Zwitserland  en Portugal. Finland en IJsland traden pas later toe. Bij een vrijhandelszone schaffen een aantal landen de douane tarieven onderling af, ten opzichte van andere landen blijft alles hetzelfde. Men voert ook een eigen economisch beleid. Bij de EEG was echter sprake van een gemeenschappelijk buiten tarief. Bij de EVA kan een producent het goedkoopste land kiezen en zo de markt betreden. De EEG zocht ook naar mogelijkheden om haar handel met andere markten te vergroten. In het verdrag was daartoe voorzien, doordat de EEG associaties kan aangaan met andere landen, organisatie of een groep landen. Dit konden Europese landen zijn, maar ook landen uit andere continenten.

 

Verdere toetreding

Toen voor het Verenigd Koningrijk duidelijk werd dat de EEG werkte en de EVA voor de economische ontwikkeling gering was, deed zij, in 1961 alsnog een verzoek tot toetreding tot de EEG. Datzelfde jaar besloten ook Ierland, Noorwegen en Denemarken aansluiting toe zoeken. Reeds in 1961 werd gestart met de onderhandelingen tussen de EEG en GB.

 Deze onderhandelingen blekenmoeizaam te gaan, mede door de houding van Frankrijk. De onderhandelingen werden in 1963 stopgezet. Hierdoor werden de onderhandelingen met de andere drie landen ook afgebroken, omdat was  afgesproken, dat de landen gezamenlijk zouden toetreden. In 1967 deed de Britse regering opnieuw een verzoek tot toetreding, waarop ook de drie andere landen weer volgden. Deze verzoeken gingen in de ijskast , mede omdat Frankrijk de Britse economie nog niet voldoende op peil vond.  Door het aftreden van de Franse president de Gaulle en het aantreden van een andere regering in GB, bleek, dat 1969 de tijd wel rijp was voor toetreding. Bovendien was er een oplossing gekomen voor de financiering van het landbouwbeleid in de EEG. Het landbouwbeleid was tot dan toe ook een van de obstakels geweest bij de vorige onderhandelingen. Bij de aanvang van de onderhandelingen werd besloten, dat de vier nieuwe landen en alle andere toekomstige kandidaten  het Verdrag, de doelstelling en alle reeds genomen (juridische) besluiten en keuzes, dienden te aanvaarden. Het Acquis Communautaire. Op 1 januari 1973 traden drie landen toe. Noorwegen trad uiteindelijk niet toe, omdat in een referendum in het land de toetreding werd afgewezen.

 

Samenwerking EEG en EVA

Nadat Groot-Brittannië was toegetreden tot de EEG, bleek verdere samenwerking tussen de EEG en de EVA alsnog mogelijk. Voorheen bleek dit niet mogelijk, omdat vooral GB destijds geen bemoeienis wenste met haar economische beleid. Vanaf 1973 zijn er een aantal overeenkomsten gesloten tussen de beide blokken, met name over industriële produkten. Uiteindelijk resulteerde de samenwerking in de EER, de Europese Economische Ruimte. Door het instellen van de EER is er samenwerking mogelijk met betrekking tot het economische beleid en vrije verkeer tussen de landen uit de blokken. Zwitserland trad niet toe totdeEER,nadatdebevolkingditafwees.

Twaalflandenverenigd
Vanaf het begin in 1957 traden er steeds weer landen toe. Na het Europa van de negen in 1973, kwam daar in 1981 Griekenland bij en in 1986 Spanje en Portugal. Deze landen hadden zich in de zeventiger jaren weten los te maken van een dictatoriaal regiem.

 

Los van EEG

In 1985 stapte Groenland uit de EEG. Het land maakt officieel deel uit van Denemarken en heeft een Status Aparte. Het land was indertijd samen met Denemarken toegetreden. Na een visserijconflict over de bevissing rond het eiland, stemde de bevolking voor het uittreden. Groenland maakt nu deel uit van de vrijhandelszone EVA.

 

De idee van de EU

Op het moment dat de EEG uit twaalf lidstaten kwam te bestaan, ontstond al snel de vraag hoe de EEG zich moest ontwikkelen. De vraag wierp zich op, of de staten zich zouden moeten bezighouden met uitbreiding van de EU, of een verdere verdieping van de politieke en economische samenwerking en integratie.

 

Zou een groter aantal lidstaten wellicht remmend werken. Op deze wijze kwam de discussie over het ontstaan van een unie van Europese staten weer op de agenda. Nadat in de vijftigerjaren de oprichting van de EPG en de EDG niet tot stand waren gekomen, deed men in 1961 weer een poging om te komen tot een nieuwe aanzet. De Franse president de Gaulle vond, dat het uitgangspunt moest zijn, dat de nationale regeringen onder leiding van hun regeringsleiders, de besluitvorming op Europees niveau tot hun bevoegdheid moesten hebben. Communautaire organen moesten naar zijn idee geen eigen zelfstandige bevoegdheid hebben. Zij hadden volgens hem onvoldoende democratische legitimatie. De hoogste macht kwam toe aan de regeringen, die zelf democratisch waren gekozen. Het bleek niet mogelijk het eens te worden over de organisatie en supranationale bevoegdheden van organen. Een aantal landen, waaronder Nederland en België bleek juist voorstander van het verleggen van die bevoegdheden aan een communautair orgaan. Daarnaast werd een deelname van Groot-Brittannië van wezenlijk belang gevonden. Voor een land als Frankrijk was dit onmogelijk. Zoals reed vermeld veranderde deze patstelling toen in GB een andere regering aan het roer kwam en de Gaulle het veld had geruimd. Een comité werd samengesteld om met voorstellen te komen voor een verdere samenwerking. Het comité Davignon kwam met het voorstel  om de ministers van buitenlandse zaken elk half jaar te laten overleggen over onderwerpen van buitenlands beleid. Het overleg zou dan worden voorbereid door een politiek comité van directeuren-generaal.

Het comité zou hiervoor minstens vier keer per jaar samenkomen. Op de conferentie van Luxemburg in 1970 werd deze aanbeveling overgenomen door de regeringen en zo werd de basis gelegd voor de Europese politieke samenwerking. EPS. Pas in 1986 werd deze samenwerking verdragrechtelijk geformaliseerd met de Europese akte.

 

Totstandkoming Europese Unie

 

 

 

Laatste update 22 juni 2008